Oorsprong van wijn

Oorsprong

De wilde wijnstok Vitis vinifera is de wingerdsoort die druiven produceert. Deze wingerd komt uit de Kaukasus. In dit gebied komt nog steeds het grootste aantal druivenvarianten voor. De daarmee samenhangende grote genetische variatie is een aanwijzing dat de herkomst van wijn in de Kaukasus gezocht moet worden. Door deze centrale ligging verspreidde de druif zich snel. In 2017 werd gepubliceerd over 8000 jaar oude potscherven uit het Kaukasische land Georgië, waarop de resten van wijn, met name wijnsteenzuur, werden aangetroffen. In Mesopotamië (Syrië en Irak) zijn bij archeologische opgravingen kruiken van 7000 jaar oud aangetroffen met sporen van wijn. Wijn werd daar verbouwd in het vruchtbare Tweestromenland (Mesopotamië) van de Tigris en de Eufraat. Door handel met de Levant (Libanon en Palestina) verspreidde de kennis van de wijnbouw zich. Zodoende kwam deze kennis in het oude Egypte terecht. Al vanaf 3000 v.Chr. zijn er vele afbeeldingen en sporen van wijnbouw in Egypte nagelaten.

Verspreiding naar Europa

Circa 2000 jaar v.Chr. bereikte de druivenstok Griekenland. Op Kreta zijn amforen en een wijnpers gevonden die dateren van 1500 jaar voor het begin van de christelijke jaartelling. De kunst van het wijn maken heeft zich daarna vanuit Griekenland verder verspreid naar Zuid-Italië, toentertijd ook wel Oenotria (land van de wijn) genoemd. In Midden-Italië vanaf circa 1000 v.Chr. waren de Etrusken actief in het maken van wijn. De Romeinen (Latijnen) namen later de kennis over. Zij ontwikkelden en verspreidden het verder naar de rest van Europa.

Religieuze functie

Aan wijn en andere alcoholische dranken werden in de Oudheid veelal bovennatuurlijke krachten toegedicht, die men zich door de dranken te drinken eigen kon maken. De Grieken beschouwden wijn als het bloed van Dionysos en het drinken van wijn was dan ook een sacrament. Wijn kon tevens dienen als vervanging van echt bloed bij het offeren. Boeren in heel Europa besprenkelden voorafgaand aan het zaaien hun akkers met wijn, en na de oogst werd de laatste overgebleven garf eveneens met wijn besprenkeld.

Toen het christendom opkwam als nieuwe grote religie, werd ook de religieuze betekenis van wijn overgenomen. Wijn werd nu geacht het surrogaat te zijn van het bloed van Jezus Christus.

Bewaarmethoden

Amforen waren kruiken in aardewerk die gebruikt werden om graan of vloeistoffen in te bewaren. Omdat een amfora te poreus was om wijn in te bewaren, werd er hars aan de wijn toegevoegd. Aangezien hars de houdbaarheid van wijn kennelijk verbeterde, bleven de Griekse wijnbouwers hars aan hun wijnen toevoegen; de retsina was de bekendste Griekse wijn en deze wordt nog altijd gemaakt. Een andere reden voor de toevoeging van hars die genoemd wordt, is dat mensen aan de harssmaak gewend zouden zijn geraakt, en deze anders zouden missen.

De oude Grieken dronken hun wijn verdund met water, en gebruikten daarvoor een drinkschaal.

Wijnstreken vanaf de Oudheid

De meeste wijngebieden in het huidige Frankrijk (de Elzas uitgezonderd) dateren uit de Romeinse tijd. De wijnbouw kende onder de Romeinen een periode van grote bloei. De Romeinen plantten in alle bezette gebieden wijngaarden aan, om hun legers van wijn te voorzien. De Romeinen beschikten niet over hars en ontwikkelden houten tonnen om de wijn te bewaren. Daarmee was de toevoeging van hars overbodig. In de 5e eeuw stortte het Romeinse Rijk ineen en de meeste wijngaarden werden vernietigd door Germanen en Moren. Nadat de wijncultuur aan het begin van de Middeleeuwen in verval was geraakt, kwam ze dankzij het christendom weer tot bloei: elk klooster had een eigen wijngaard om miswijn te maken. In de streek van Doornik tot Luik werd in de 10e eeuw wijn gemaakt.

Tot in de 17e eeuw werd hoofdzakelijk jonge wijn gedronken. Door het gebruik van kurk werd het daarna mogelijk wijn langer in flessen te bewaren.

In de periode vanaf 1864 werden duizenden hectare wijngaarden in Frankrijk vernield door de druifluis (Phylloxera vastatrix). Het onderzoek van Pasteur naar de oorzaken van ziekten van wijn en de methode om wijn te bewaren legde de grondslag voor de oenologie. De Franse wijnbouw werd gered door Europese druivensoorten te enten op Amerikaanse stammen die resistent waren voor de vraatzucht van de druifluis. De Amerikaanse variant bleek namelijk in staat om opnieuw wortelpunten aan te groeien.

 

bron: nl.wikipedia.org/wijn

Het vroegste archeologische en archeobotanische bewijs voor druivenwijn en wijnbouw, daterend van 6000-5800 voor Christus, werd gevonden op het grondgebied van het moderne Georgië. Zowel archeologisch als genetisch bewijs suggereert dat de vroegste productie van wijn elders relatief later plaatsvond, waarschijnlijk plaatsvond in de zuidelijke Kaukasus (die Armenië, Georgië en Azerbeidzjan omvat), of de West-Aziatische regio tussen Oost-Turkije en Noord-Iran.
Het vroegste bewijs van een gegiste drank op basis van druiven werd gevonden in China (circa 7000 voor Christus), Georgië vanaf 6000 voor Christus, Iran vanaf 5000 voor Christus en Sicilië vanaf 4000 voor Christus. Het vroegste bewijs van een wijnproductiefaciliteit is de Areni-1 wijnmakerij in Armenië en is minstens 6100 jaar oud.

Detail van een reliëf van de oostelijke trappen van de Apadana, Persepolis, waarin Armeniërs worden afgebeeld die een amfoor, waarschijnlijk van wijn, brengen aan de koning.
Een rapport uit 2003 van archeologen wijst op de mogelijkheid dat druiven in de vroege jaren van het zevende millennium voor Christus gemengd werden met rijst om gemengde gefermenteerde dranken in China te produceren. Aardewerkkruiken van de Neolithische vindplaats Jiahu, Henan, bevatten sporen van wijnsteenzuur en andere organische stoffen die vaak in wijn worden aangetroffen. Andere inheemse vruchten in de regio, zoals meidoorn, kunnen echter niet worden uitgesloten. Als deze dranken, die de voorloper lijken te zijn van rijstwijn, druiven bevatten in plaats van ander fruit, dan zouden ze een van de tientallen inheemse wilde soorten in China zijn geweest, in plaats van Vitis vinifera, die daar 6000 jaar later werd geïntroduceerd.

De verspreiding van de wijncultuur naar het westen was hoogstwaarschijnlijk te wijten aan de Feniciërs die zich vanuit een basis van stadstaten langs de kust van de Middellandse Zee verspreidden over wat vandaag Syrië, Libanon, Israël en Palestina zijn [29]. De wijnen van Byblos werden tijdens het Oude Koninkrijk en vervolgens door de Middellandse Zee naar Egypte geëxporteerd. Het bewijs omvat twee Fenicische scheepswrakken uit 750 voor Christus ontdekt door Robert Ballard, wiens lading wijn nog intact was. Als de eerste grote handelaren in wijn (cherem) lijken de Feniciërs het te hebben beschermd tegen oxidatie met een laag olijfolie, gevolgd door een zegel van pijnboom en hars, vergelijkbaar met retsina. Hoewel de nuragische Sardijnen al wijn consumeerden voor de komst van de Feniciërs

Georgisch oud wijnschip Kvevri
De vroegste overblijfselen van het Apadana-paleis in Persepolis daterend uit 515 v.Chr. Zijn onder meer houtsnijwerk met soldaten uit het Achaemenidische rijk, onderwerpen die geschenken brengen aan de Achaemeniden, waaronder Armeniërs die hun beroemde wijn brengen.

Literaire verwijzingen naar wijn zijn overvloedig in Homer (8e eeuw voor Christus, maar mogelijk in verband met eerdere composities), Alkman (7e eeuw v. Chr.) En anderen. In het oude Egypte werden zes van de 36 wijnamfora gevonden in het graf van koning Toetanchamon met de naam “Kha’y”, een koninklijke chef-wijnboer. Vijf van deze amfora werden aangewezen als afkomstig van het persoonlijke landgoed van de koning, met de zesde van de nalatenschap van het koninklijke huis van Aten. [33] Sporen van wijn zijn ook gevonden in Centraal-Aziatische Xinjiang in het hedendaagse China, daterend uit de tweede en eerste millennia voor Christus.

Wijnjongen op een symposium

Wijn persen na de oogst; Tacuinum Sanitatis, 14e eeuw
De eerste bekende vermelding van wijnen op basis van druiven in India is afkomstig uit de laat-4de eeuw v.Chr. Geschriften van Chanakya, de eerste minister van keizer Chandragupta Maurya. In zijn geschriften veroordeelt Chanakya het gebruik van alcohol tijdens het opnemen van de keizer en de frequente aflaat van zijn hof van een stijl van wijn die bekendstaat als madhu.

De oude Romeinen plantten wijngaarden in de buurt van garnizoenssteden, dus wijn kon lokaal worden geproduceerd in plaats van over lange afstanden te worden vervoerd. Sommige van deze gebieden zijn nu wereldberoemd voor wijnproductie. De Romeinen ontdekten dat het branden van zwavelkaarsen in lege wijnvaten hen vers en vrij van azijngeur hield. In het middeleeuwse Europa steunde de rooms-katholieke kerk wijn, omdat de geestelijkheid die nodig had voor de mis. Monniken in Frankrijk maakten jarenlang wijn en vergrootte het in grotten. Een oud Engels recept dat tot in de 19e eeuw in verschillende vormen bewaard is gebleven, vraagt ​​om het verfijnen van witte wijn van bastaard-slechte of bedorven bastardo-wijn.